Levensomstandigheden en Angst
Gezondheid is een natuurlijke staat. Het is een evenwicht tussen het innerlijke van het levende organisme en z’n buitenomgeving. Het innerlijke van een organisme maakt deel uit van het energetische veld dat voor een stuk ‘gevangen’ zit in de materie. Het fysieke lichaam, de energie die samengedrukt is tot materie, fixeert een klein deel van het energetische veld van de soort, waardoor er een beperking ontstaat op de wijdte waarin de energie zich kan bewegen, kan variëren. Dit manifesteert zich als ‘een individu’, een geselecteerd klein deeltje van het energieveld dat nu kan geobserveerd worden als ‘gescheiden’ van dat veld. Je kan je dit voorstellen als de waterdruppel die uit de oceaan springt en door de lucht vliegt. Net als met levende organismen is er een samentrekkingskracht die deze molecules bijeen houdt, hen toelaat om van vorm te variëren (een afstotingskracht die naar buiten toe werkt), maar enkel in beperkte mate alvorens de waterdruppel open zou barsten en niet langer zou bestaan. Het deel dat zich afscheidt van het veld is enkel gescheiden in onze waarneming. De energie die voor een hele korte periode wordt afgescheiden blijft volledig met het veld verbonden. Het lijkt voor ons wel een afgescheiden eenheid. Net zoals de lucht binnenin een groot gebouw of in een diepe grot volledig verbonden blijft met de buitenlucht, ook al kunnen de karakteristieken die wij waarnemen erg verschillen van die van de buitenlucht. Zo kan de lucht koeler zijn of vochtiger. Het kan moeilijker zijn om te ademen door een gevoel van een ‘zwaardere’ lucht. Er kan een andere geur in de lucht hangen.
Dus kunnen we ons niet afscheiden van de natuurlijke wereld. Wij mensen maken een integraal deel uit van die natuurlijke wereld en we blijven ten alle tijden er volledig mee verbonden. Dat betekent ook dat wij op dezelfde manier functioneren dan de manier waarop de natuur functioneert.
Ieder individu is een gescheiden gefixeerd deeltje van menselijke energie. Geen twee mensen zijn hetzelfde. Ze kunnen ‘gelijkaardig’ zijn in sommige aspecten, maar het zijn twee verschillende waterdruppels die uit dezelfde oceaan komen. Ieder individu heeft een beperkte, en een andere, reikwijdte van energie waarin het kan bewegen. Ieder individu heeft z’n eigen energiespectrum waar gebruik van gemaakt kan worden om zich aan te passen aan de voortdurend veranderende buitenomstandigheden. Het individu zal het meest gemakkelijk functioneren wanneer er minimale druk staat op het spectrum van de gefixeerde energie binnen dat individu. Met ander woorden, hoe lager de druk op het oppervlak van het waterdruppeltje is om een aanpassing te forceren, hoe gemakkelijker het door de lucht kan bewegen en hoe langer het zal blijven bestaan. De druk is minimaal wanneer het individu het klaar speelt om zijn functioneren behoorlijk binnen de beperkingen van z’n opmaak, van zijn vast geankerde energie, te houden. Wanneer het individu er in slaagt om zijn innerlijk evenwicht aan te passen op een manier waarop de druk op de structuur gedragen kan worden over de gehele structuur in plaats van vast te zitten op een specifieke plaats in de structuur. Een voorbeeld. Wanneer we de spanning voelen opbouwen in de spieren van onze lage rug omdat we lange tijd in eenzelfde houding gestaan hebben dan kunnen we dit verhelpen door een andere positie aan te nemen. Door dit te doen verdelen we de spanning die we in een bepaalde spiergroep vasthouden over een groter gebied en over andere spiergroepen. Wanneer we dit voortdurend doen dan verzekeren we ons ervan dat de zich steeds wijzigende druk op ons systeem de structuur ervan niet zal breken. Deze structuur is enkel gebouwd voor tijdelijk gebruik, en niet om alle druk, voor altijd, te weerstaan.
Dus hebben we vrijheid nodig om dit soort aanpassingen te kunnen maken. Telkens wanneer het individu zich bewust wordt van aanhoudende druk op het systeem, heeft hij of zij de tijd en ruimte nodig om zich aan te passen op de manier waarop dat individu aanvoelt dat het moet. Dit betekent dat het evenwicht in het leven, gezondheid, een individueel gegeven is, geen maatschappelijk probleem.
Mensen verschillen van alle andere levende wezens in zoverre dat zij de mogelijkheid hebben om te redeneren. Een bewustzijn van onze ervaringen, gekoppeld aan de capaciteit om op te slaan wat men bewust waarneemt en de vaardigheid om nieuwe en oude observaties willekeurig aan mekaar te koppelen, levert de mens de mogelijkheid om hun ervaringen te begrijpen. Wij noemen het ‘er wijs uit worden’. Het individuele bewustzijn, net zoals alle andere aspecten van het menselijke leven, maken deel uit van het menselijke energetische veld en kunnen dus tussen individuen uitgewisseld worden. Wij kunnen onze interpretatie van onze observaties, hoe wij het leven begrijpen, delen met anderen. Op de eerste plaats betekent dit dat we kunnen leren over potentiële gevaren, die we zelf niet zijn tegengekomen. In termen van overleving is dit een groot voordeel. Wanneer het zich dan handelt over potentiële gevaren die verborgen liggen in de donkere hoeken van het ons omringende oerwoud, dan is het belangrijk om ook hier aandacht aan te besteden, om heel vroege signalen te identificeren, en om een waarschuwingssysteem uit te bouwen. Ons natuurlijk overlevingssysteem zal altijd een hoge staat van paraatheid aannemen. Zelfs wanneer we angst hebben voor gevaren die niet in onze gemeenschap aanwezig zijn of voor gevaren waar we ons niet tegen kunnen verdedigen, zoals een meteorietinslag of de zon die de aarde opbrandt, zullen we toch continu alert zijn voor die mogelijkheid. Op deze manier verhoogt onze capaciteit om te redeneren, om te begrijpen, de druk op het systeem van het individu, in plaats van het te verminderen. Nu wordt onze overleving bedreigt door ons ‘waarschuwingssysteem’ in plaats van erdoor beschermd te worden. We overladen ons bewustzijn nu, niet met onze eigen waarnemingsinformatie, maar met ons ‘denken’. Wij redeneren onszelf in een staat van permanente angst die niet langer toestaat dat ons systeem de tijd en ruimte krijgt om te ontspannen.
Dus leven wij, net als alle andere levende wezens, eigenlijk enkel in onze specifieke omgeving. En alhoewel de waterdruppeltjes aan de Amerikaanse kust volledig verbonden zijn met deze aan de Britse kust hebben ze toch een volledig ander bestaan. Wat een invloed zal hebben op het bestaan van de druppels in Amerika is wat er gebeurt in het gebied waarin zij zich bevinden, en wat de druppels in Engeland beïnvloedt is wat zij rechtstreeks meemaken. Twee totaal verschillende omgevingen, die totaal verschillende reacties vergen van een levend systeem.
Mensen verplaatsen om van de ene omgeving te gaan leven in een andere, weg van hun natuurlijke omgeving, de omgeving waar ze energetisch mee verbonden zijn, zal de spanning op de structuur van dat individu verhogen en het zal een nood creëren voor nieuwe overlevingsstrategieën binnen hun nieuwe gemeenschap vanwege de wederzijdse uitwisseling van ‘interpretaties’ over het leven en over de potentiële gevaren die de mens kent. Aangezien onze staat van permanente angst vooral steunt op onze redenering, en niet op onze persoonlijke waarnemingen, brengen deze overgeplaatste individuen hun ‘kennis’ over het leven naar een omgeving waar de omstandigheden anders zijn, niet dezelfde soort potentiële gevaren bevat. Nu wisselen ze hun overlevingsnoodzakelijkheden uit. Zowel de ontwortelde individuen als de ontvangende gemeenschap geraken hierdoor uit hun natuurlijk evenwicht. Dit verschilt volkomen van één individu die zijn/haar evenwicht niet kan vinden in de gemeenschap waarin hij/zij leeft en die beslist om een meer geschikte omgeving op te zoeken. In dit geval zal de verhuis, gedreven door de nood om te overleven, bijdragen tot de stabiliteit van het leven, zowel voor het individu als voor de nieuwe gemeenschap.
En een laatste belangrijk aspect is dat, als mens, wij kunnen beslissen waar we ons op concentreren, waar we onszelf voor openstellen, wat we leren. Wanneer we geconcentreerd blijven op overleven, continu informatie vergaren over potentiële gevaren, zowel via eigen observatie als via cognitieve uitwisseling met anderen, zorgen wij voor een permanent hoge spanning binnen ons eigen systeem. In de natuur zien we dat dieren leven, dat ze ontspannen, zich rustig voeden, spelen en uitrusten, tussen de dreigende situaties door. Zij bevinden zich in overlevingsmodus wanneer ze rechtstreeks geconfronteerd worden met gevaar, en zijn in leefmodus wanneer zij geen gevaarsignalen oppikken uit hun onmiddellijke omgeving. Permanent in overlevingsmodus zijn, continu in een hoge staat van alertheid verkeren, betekent dat mensen niet leven, geen mogelijkheid hebben om aanpassingen uit te voeren.
Wij leven enkel wanneer we niet bang zijn. En aangezien onze maatschappij ons niet helpt in dit opzicht, is het aan het individu om hierin tussen te komen, omdat zijn of haar gezondheid rechtstreeks bedreigd wordt door onze maatschappij, door de constante toestroom van informatie over potentieel gevaar, waarvan het meeste door de maatschappelijke structuur zelf veroorzaakt wordt. Het is aan het individu om beslissingen te nemen aangaande het bedreigingsniveau dat die zelf wil toestaan in zijn/haar eigen leven. Hier is een voorstel van hoe men controle kan bekomen over angst.
- Maak je niet langer zorgen over zaken waar je zelf toch niets kan aan veranderen, of het nu gaat over politiek, financiën, economie, het weer, oorlogen, terrorisme, het gedrag van anderen (woorden en daden), de overtuigingen van individuen en groepen, bewaking, en zo meer.
- Wees aanwezig in je eigen gemeenschap en concentreer je enkel op het leven binnen die gemeenschap.
- Neem verantwoordelijkheid voor je eigen leven, dat van jouw familie en van de leden van jouw gemeenschap, en dit houdt in dat je intern op zoek gaat naar oplossingen voor reële, interne, problemen.

